Sint Josephkerk

Oprichting van de parochie
Al vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw was de Roosendaalse samenleving in beweging. Door de komst van het station in 1854 nam de industriële bedrijvigheid toe, hetgeen ertoe leidde dat meer en meer mensen zich in Roosendaal vestigden. Deze geleidelijke toename van de bevolking had tot gevolg dat de Norbertijnen van Tongerlo, die vanaf 1268 de zielzorg in Roosendaal behartigden hun monopoliepositie verloren. In 1868 vestigden de Redemptoristen zich in Roosendaal. In 1906 stichtte de bisschop de Sint Antoniusparochie, die hij aan de wereldheren toevertrouwde, in 1916 de Corneliusparochie. Het bisdom achtte ook de oprichting van een vierde parochie, ten oosten van het centrum, noodzakelijk. Daartoe had het al in 1917 grond aan de Burgerhoutsestraat aangekocht van de Roosendaalse Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen, waarin de familie Van Gilse haar belangen had ondergebracht. Ten gevolge van de Eerste Wereldoorlog kon men niet met de bouw van een kerkgebouw beginnen.

Op 27 februari 1923 ontving kapelaan H.J.A. van Mierlo de opdracht aldaar een nieuwe parochie te stichten. Kapelaan Van Mierlo was op 2 januari 1893 in Breda geboren. Hij was een telg uit een vooraanstaande bankiersfamilie.

Op 25 mei 1918 was hij tot priester gewijd. Na vier jaar kapelaan geweest te zijn in de Corneliusparochie te Den Hout benoemde de bisschop hem tot kapelaan in de Roosendaalse Antoniusparochie. Hij besloot de kerk toe te wijden aan Sint-Jozef, de patroonheilige van de werklieden. Al snel zocht hij de architecten J.M. Hurks en W. Vergouwen aan om een kerk te ontwerpen. W. Vergouwen was een bekende Roosendaalse architect, die onder meer de kapel op de Kapelberg en de Antoniuskerk ontworpen had. J.M. Hurks, in 1894 geboren te Vught, had zich nog maar kort in Roosendaal gevestigd. Hij zou de voornaamste architect van de kerk zijn. Het lag in de bedoeling van pastoor Van Mierlo dat het front van de kerk en de pastorie aan de Burgerhoutsestraat gelegen zouden zijn. Doordat het niet lukte de grond van de families Notenboom en van de Sande aan te kopen, moest de pastoor van dit plan afzien.

Een overgangstijd
In de kerkelijke architectuur vormden de jaren twintig een overgangsperiode. Tot 1910 domineerde de neogotiek. Katholieke architecten, waarvan Pierre Cuypers in Nederland de bekendste zou zijn, meenden dat de gotische stijl van de late middeleeuwen het best beantwoordde aan het christelijk schoonheidsideaal. Na het herstel van de hiërarchie zou in menig dorp een op een kathedraal gelijkende kerk verrijzen, uiting van de katholieke emancipatie en katholiek zelfbewustzijn. Op deze periode volgde een reactie. Binnen de Kerk ontwikkelde zich in het begin van deze eeuw een liturgische beweging. Deze zag in de liturgie het centrum van het kerkelijke leven en kreeg ook steun van paus Pius X. Men wilde het kerkvolk meer betrekken bij het liturgisch leven, opdat hun geestelijk leven meer en meer door de liturgie gevormd zou worden. Een van de eisen van de liturgische beweging was dat elke gelovige de handelingen van de priester aan het altaar goed kon volgen. Deze opvatting had ook zijn consequenties voor de kerkbouw. De neogotische kerken noodden weliswaar tot privé-devotie maar door de grote afstand tussen altaar en schip en de vele pilaren konden de gelovigen het gebeuren op het altaar nauwelijks volgen. De katholieke architecten zagen zich genoodzaakt een nieuwe vormentaal te ontwikkelen, die recht zou doen aan de eisen van de liturgische beweging. In de eerste decennia van deze eeuw tastten en zochten katholieke architecten naar deze nieuwe vormentaal. Dit leidde tot een strijd tussen katholieke architecten. Een groep rond Jos Cuypers en Jan Stuyt, verenigd in de Amsterdamse kunstkring, de Violier, koos voor de centraal- of koepelbouw. Zij stonden, wat betreft de detaillering van hun werk, open voor eigentijdse invloeden. Andere architecten als de befaamde architect Kropholler wezen deze bouwtrant af. Zij meenden dat in de koepelkerken niet zozeer Christus, aanwezig in het Sacrament, doch het volk centraal stond. Kropholler bouwde kerken in romaniserende trant, geïnspireerd door traditionele dorpskerken. Vanaf 1930 zouden de opvattingen van Kropholler en de zijnen (waaronder de Delftse hoogleraar G.M.J. Granpré Molière, naar wie deze stijl Delftse School genoemd werd) de katholieke kerkenbouw domineren. In Roosendaal is de Heilig Hartkerk een voorbeeld van deze stijl.

De Sint-Josephkerk is gebouwd in een overgangstijd. De architect, J.M. Hurks (1894-1977) had zich nog maar kort in Roosendaal gevestigd. Hij werd geboren te Vught en ontving zijn opleiding in ‘s-Hertogenbosch en Amsterdam. In 1912 vertrok hij naar Canada om er te bouwen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde hij naar Nederland terug. Zijn eerste werk in Roosendaal was de bouw van de dubbele villa Nispensestraat 81-83. Later zou hij de villa’s aan de Ludwigstraat 1-17 ontwerpen, de kerk toegewijd aan de H. Joannes de Vianney in Liesbosch, de Mariakerk in Breda en in 1952 de Onze Lieve Vrouw van Fatimakerk te Roosendaal. Zijn oeuvre vertoont onderscheiden kenmerken en duidelijke ontwikkelingen zodat men niet kan spreken van een eenheid in stijl. In de tijd dat hij de Josephkerk bouwde, liet hij zich inspireren door de Amsterdamse School. Deze in Amsterdam ontwikkelde stijl had een duidelijke voorkeur voor het gebruik van baksteen. Met fraai metselwerk wisten de architecten de in deze stijl gebouwde gebouwen fraai te versieren. Pastoor Van Mierlo gaf de jonge architect de opdracht een centraalbouw te ontwerpen, waarvan de koepel aan de buitenkant niet te zien was. De kerk zou plaats moeten bieden aan duizend gelovigen. Ondanks het feit dat de kerk ruim opgezet was moest de architect op onderdelen bezuinigen. In het oorspronkelijk ontwerp vinden we aan de noordzijde een angelustoren, een kaarsenmakerij en een zijportaal. Deze moesten vervallen. Tevens zijn de voorportalen enige meters kleiner dan oorspronkelijk gepland. Uit tekeningen blijkt dat ook de pastorie minder ruim gebouwd is dan oorspronkelijk de bedoeling was. De bou w van de kerk werd gegund aan aannemer M. Bakkeren te Princenhage. Als opzichter trok men J. Heemskerk aan, die ook betrokken was bij de bouw van de Sint-Bavokathedraal te Haarlem en het stadhuis te Rotterdam. Met de totale bouw van kerk en pastorie zou een bedrag van 215.100 gulden gemoeid zijn. Op 20 oktober 1924 wijdde Mgr. P. Hopmans de kerk.

Het exterieur
De kerk is gebouwd in bruine machinaal gevormde baksteen. Hij is gebouwd in de vorm van een kruis. De aandacht wordt onmiddellijk getrokken door de hoofdtoren aan de noordzijde. Hij is ongeveer vijftig meter hoog. Volgens sommigen heeft de architect zich laten inspireren door de in 1912 gerestaureerde toren van de San Marco te Venetië. Dit geldt dan vooral voor de ranke vorm van de Jozeftoren. De torenspits, bekroond met een ijzeren kruis, heeft een andere vorm. Aan de zuidzijde bevindt zich een achthoekig lager torentje met een achtzijdige spits, bekroond met een puntige dakbekroning (een piron). Het hoofdportaal is een onderscheiden bouwelement. Het springt naar voren en is uitgevoerd in siermetselwerk met in de top een kruisvorm. De puntgevel loopt uit op een kruis. Zowel boven het hoofdportaal als in de zijgevels, die aanmerkelijk soberder zijn uitgevoerd, bevinden zich paraboolvensters. In deze periode van zijn loopbaan had Hurks een voorkeur voor paraboolachtige vormen (denk aan enige villa’s in de Ludwigstraat en de in 1927-1928 gebouwde Gerda-hoeve te Rucphen). De achterzijde van de kerk eindigt in een hoge puntgevel, die ook uitloopt in een bakstenen kruis. De zevenhoekige absis en de beide zijkapellen zijn tegen de achterzijde aangebouwd. Ze hebben elk een eigen dak waardoor ze als afzonderlijke bouwelementen herkenbaar zijn. In de absis bevinden zich langwerpige rondboogramen. Aan de zuidzijde van de absis ligt de sacristie.

Het interieur
Wie de kerk binnengaat wordt onmiddellijk geraakt door de koepel. Deze geeft aan de kerk zijn fraaie ruimtewerking. De koepel, met een doorsnede van 18,8 meter is een voorbeeld van kundig metselwerk. Duizenden bakstenen waren nodig om de koepel dicht te krijgen. Tijdgenoten hadden hun twijfels over de technische realiseerbaarheid van het een en ander. De vreemde tekens in de koepel vormen een vers uit de lofzang Te Deum: ‘Te per orbem terrarum sancta confitetur Ecclesia’ (Over de gehele aarde prijst de Kerk U). De muren van de kerk zijn gemetseld in genuanceerde gele baksteen. Typerend voor de Amsterdamse school is het siermetselwerk in de kerk. Hurks werkte in deze kerk niet met kleurschakeringen. Mogelijk is hier de Amerikaanse invloed die Hurks ondergaan heeft aanwijsbaar. De wijdingskruisjes, in de muur aangebracht, behoren tot de fraaiste details van deze kerk. Op deze oranjegele tegeltjes vinden we een groen kruis met bruine doornenkroon. De hoeken van de tegeltjes zijn aangezet met een zwarte rand, hetgeen typerend is voor de Nederlandse Jugendstil.

Altaren
De kerk telt talrijke voorwerpen uit de periode van de bouw. Het voornaamste is het hoogaltaar. Dit is geleverd door de firma Cuypers te Roermond. Het is geheel in marmer en brons uitgevoerd. Het altaar beeldt op zinnebeeldige wijze de aanbidding van Christus uit. Op de bronzen tombe aanbidden Maria en Jozef het Christuskind. Op de deuren van het tabernakel vinden we twee aanbiddende engelen waarboven de spreuk ‘Mane nobiscum, Domine’ (Blijf bij ons Heer) prijkt. Op het tabernakel staat het monumentale altaarkruis. Aan weerszijden van het hoofdaltaar staan vier houten engelen als offeraars. Twee dragen een wierookvat, als reukoffer en twee een kandelaar als brandoffer. De altaarvloer is belegd met de in de twintiger jaren van deze eeuw geliefde krakelingentegels in ruitpatronen.

De firma Cuypers leverde ook de beelden voor de zij-altaren en de devotiekapel. De zij-altaren zijn toegewijd aan Sint-Jozef, Sint-Anna, de Heilige Familie en Maria. De devotiekapel bevindt zich aan de rechterzijde van de ingang. Sint-Jozef gold als patroon van de zalige dood. In het midden van het reliëf zien we een engel. Jozef ligt op zijn sterfbed, met aan het voeteneinde Maria en aan het hoofdeinde Jezus. Op het altaar staat de tekst ‘Ite ad Joseph’ (Gaat naar Joseph) (Gen. 41,55). Momenteel gebruikt men deze kapel als rouwkapel. Aan de muur hangen houten schildjes met de namen van de overledenen van het afgelopen jaar. Aan de noordzijde, onder de toren, ligt de doopkapel.

De Godslamp
J.E. Brom ontwierp zowel de godslamp van gebronsd koper in de absis als de lamp die centraal in de koepel hangt. Beide zijn vervaardigd door de firma P.G. Duchateau.

Muurschilderingen
De Grondwet van 20 oktober 1924 vermeldt dat de kerk bij de wijding nog niet voltooid was. Zo lag er volgens de schrijver nog een ontwerp klaar voor de triomfboog. Geleidelijk aan zou de kerk verfraaid worden. In 1935 schilderde Wijnand Geraedts (1883-1958) de kruisweg in de kerk. Wijnand Geraedts had zijn opleiding genoten in München en Antwerpen en had gewerkt in Duitsland, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten. Hij genoot bekendheid als schilder van wandschilderingen in kerken. Hij had zich, aldus pastoor Van Mierlo, enkel vergist in de droogte der muren hetgeen ertoe leidde dat een aantal schilderingen spoedig begon te schimmelen. Later heeft hij dat bijgewerkt. De staties aan de zuidkant zijn op koper geschilderd. Toen de inmiddels tot deken benoemde pastoor Van Mierlo in 1943 zijn zilveren priesterjubileum vierde, schonk de parochie hem de schilderingen van de triomfboog en het priesterkoor. De familie van de pastoor zorgde ervoor dat het Maria- en het Jozefaltaar beschilderd konden worden. Pastoor Van Mierlo gaf ook deze opdracht aan de schilder Wijnand Geraedts, die dit karwei in de vastentijd van 1943 klaarde. Op de triomboog zien we de Boodschap van Maria aan de Engel, de Geboorte van de Heer (noordzijde), het Laatste Avondmaal (zuidzijde), bekroond door een afbeelding van Maria en Jozef, die het godsvolk de weg wijzen naar de verheerlijkte Christus.
Op de wandschilderingen aan weerszijden van de triomfboog staat de persoon van Sint-Jozef centraal. Aan de noordzijde is hij afgebeeld als patroon van de kerk. Op de achtergrond zien we de Sint-Pieter. Rond Sint-Jozef is het gehele godsvolk verzameld. Zo zien we de paus, kardinalen, kloosterlingen en bisschoppen. Deze afbeelding vindt zijn pendant in een schildering van de Oudtestamentische Jozef, die zijn broer Benjamin ontmoet (Gen. 43,15-16). Op de boog boven de deur van de sacristie zijn korenaren afgebeeld, die zich buigen naar een schoof. Deze verwijzen naar een droom van Jozef (Gen. 37,5-8). Jozef droomde dat hij met zijn broers koren aan het binden was op het veld. Zijn schoof bleef recht staan terwijl die van zijn broers erom heen kwamen te staan en naar de zijne toebogen. De schilderingen van het priesterkoor, die meestal schuilgaan achter gordijnen zijn enigszins beschadigd. Daarom is de betekenis niet altijd te achterhalen. Ze zijn ontleend aan oudchristelijke motieven. Aan de zuidzijde wordt de betekenis van de afbeeldingen geduid door een tekst uit Ezechiël (44,23) ‘Priesters zullen mijn volk leren wat rein is en onrein’. Aan de zuidzijde zien we de Paradijsboom, omringd door de slang. Aan weerszijden van de Paradijsboom staan vazen met lelies, symbolen van de zuiverheid. In deze travee is tevens een afbeelding van het Evangelieboek. In het volgende travee zien we twee duiven (een symbolische voorstelling voor de ziel) drinkend uit de bron van het leven, vervolgens het offer van Abel (Gen. 14,18), David die musiceert met aan zijn voet een lam en een pelikaan (twee Christussymbolen), een hert dat drinkt aan levend water (Ps. 42,2), in een travee een duif met olijftakjes in zijn snavel (Gen.8,11), de Kruisboom en een kruik met het opschrift Sanguis (bloed) en een travee met afbeeldingen van de Eucharistische tekens van druiven en korenaren, brood en vissen en een kelk met het Missaal. Boven het Maria-altaar is een schildering van de Heilige Familie. Boven het Jozefaltaar wordt het sterfbed van de Heilige Jozef afgebeeld.

Beelden
Oorspronkelijk waren de twaalf consoles voor de koepel bestemd voor de beelden van de twaalf apostelen. Daarvan zijn er maar drie geplaatst. In 1996 ontving de parochie een aantal heiligenbeelden in bruikleen van het Bisschoppelijk Museum te Breda.

Glas-in-loodramen
Op 29 oktober 1944 liep de kerk oorlogsschade op. Gedurende de koude hongerwinter zat de kerk zonder glas. Men wist het glas te herstellen. Bij het vijfentwintig-jarig bestaan van de kerk boden de parochianen de drie gebrandschilderde ramen boven het hoofdaltaar aan. De voorstelling op het centrale venster is geënt op het visioen in het boek der Openbaring (Openb. 5). We zien het Lam (Christus) staande op het boek met zeven zegels. Het Lam giet Zijn Bloed uit in een kelk die door een engel wordt vastgehouden. Op de andere glas-in-loodramen zijn musicerende engelen afgebeeld. Op het grote raam aan de westelijke zijde van de kerk vinden we een afbeelding van het Laatste Oordeel. Jezus Christus, vergezeld van Maria en Johannes de Doper, staat op een wolk met daaronder engelen met bazuinen.

Huidige inrichting
In 1966 benoemde de bisschop H. van Loon tot pastoor van de parochie. Hij begon zijn pastoraat met een grootscheepse restauratie, nodig om de in slechte staat verkerende kerk aan te passen aan de eisen van zowel de moderne tijd als de vernieuwde liturgie. De liturgie stelde na het Tweede Vaticaanse Concillie (1963-1965) andere eisen aan de inrichting van het kerkgebouw.
De communiebanken verdwenen en het priesterkoor werd opgehoogd. Uit het materiaal van de communiebanken construeerden leden van de K.W.J. (Katholieke Werkende Jongeren) een nieuw altaar en een ambo (verhoogd podium in de kerk tussen het koor en het schip of dwarspand). Zijn opvolgster, Zr. Ancilla, die in 1986 tot pastoraal werkster in de parochie benoemd werd, paste de kerk verder aan. In 1989 liet zij het priesterkoor vergroten zodat het geschikt werd voor eigentijdse vormen van liturgische expressie. Het aantal banken werd verminderd en rond het priesterkoor geplaatst, waardoor de kerk een hart kreeg en Zr. Ancilla op verrassende wijze recht deed aan de intentie van de bouwpastoor, die een kerk voor het volk wilde bouwen.

Bronnen
Mondelinge mededelingen van pastoor H. van Loon en V. Wendel.
De Grondwet, 20 oktober 1924.
Liber Memorialis (Archief van de parochie van de H. Joseph te Roosendaal, inv. nr. 1)

Literatuur
Gemeentelijke monumentenlijst, Roosendaal, 1995.
J.M. Peet, ‘De kerk als spiegel van de Kerk : een oriëntatie op kerkbouw en geschiedenis’ in: Archief voor de Geschiedenis van de Katholieke Kerk in Nederland 24 (1982) 82-106 .
J.J.M. Timmers, Christelijke symboliek en iconografie, Haarlem, 1978.
H. Vrijdag, Zonder beelden sprak Hij niet tot hen. Deel 3: Het zichtbare in de liturgie, Baarn, 1991 52-53.
J. de Winter, (red), Vijftig jaar Sint-Josephparochie: 1924-1974, Roosendaal, 1974.

Colofon
Gemeentearchief Roosendaal, mei 1999
Samenstelling: H. de Jong
De foto’s zijn afkomstig uit de collectie van het gemeentearchief Roosendaal.

Copyright: 1999. Alle rechten voorbehouden aan de uitgever (Gemeente Roosendaal). Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in welke vorm en op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Copyright Gemeentearchief Roosendaal

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *