Molens in Roosendaal en de kerkdorpen

Inleiding
Molens hebben een belangrijke rol gespeeld in het leven van onze voorouders. Molens werden ingezet om wateroverlast te bestrijden, graan te malen en hout te verzagen. Kortom, om Nederland bewoonbaar te maken. In die dagen was het ambacht van molenaar geen romantisch beroep. Het was hard werken geblazen. Alles aan de molen getuigt van zijn verbondenheid met de twee oerelementen wind en water.

Geschiedenis
De eerste windmolens ontstonden in Nederland omstreeks het jaar 1200. Dit waren waarschijnlijk korenmolens. Het malen van granen is zo oud als de mensheid zelf. In de oudheid maalde men tussen twee stenen die door menselijke kracht werden bewogen. Later stapte men over op dierlijke kracht en tenslotte op de natuurkrachten water en wind. Na de Middeleeuwen zette men molens voor steeds meer doeleinden in. Van pelmolens (voor het pellen van rijst en gort), snuifmolens en cacaomolens tot mosterdmolens en oliemolens. Op grote schaal werden er molens voor industriële doeleinden gebruikt.
Omstreeks 1850 waren er naar schatting zo’n tienduizend windmolens in Nederland in bedrijf. Na 1850 liep het aantal molens terug tot nog geen tien procent van het oorspronkelijke aantal. Met de uitvinding van de stoommachine werd het einde van de molens ingeluid. Ook de Tweede Wereldoorlog heeft zijn sporen nagelaten.

Gelukkig is er een kentering gaande. Op dit moment worden de overgebleven molens gekoesterd. Veel molens worden gerestaureerd en opengesteld, zodat het publiek ze kan bewonderen. Bovendien worden er zelfs nieuwe molens gebouwd.

De molenaar
Korenmolenaar werd je niet zomaar, het beroep ging over van vader op zoon. Het ambacht vereiste nogal wat specialistische kennis, die de molenaar verwierf door jarenlange oefening in de praktijk.
De molen werd vaak gepacht; de molenaar werd bijgestaan door één of twee knechten. Naast het malen van graan vervulde de molenaar veel andere taken.

Zo behoorde ook het onderhouden van de molen tot zijn werkzaamheden. Dit hield onder meer in dat hij de verschillende onderdelen met reuzel, wonderolie, bijenwas, grafiet en groene zeep insmeerde.In de minder drukke perioden, vooral in de zomermaanden, kwamen de reparatiewerkzaamheden aan de beurt. De zeilen werden geprepareerd en geolied om de winterse kou en regen te kunnen trotseren. De molen werd geteerd, geverfd en gewit. Spieën werden aangedreven en kapotte vloeren gerepareerd. De molenaar moest dus ook een begenadigd timmerman zijn.
De molenaar deed zoveel mogelijk zelf. Alleen voor grote herstelwerkzaamheden werd een molenmaker ingeschakeld. Een regelmatig terugkerend karwei was het scherpen van de stenen (ook wel het billen genoemd), dat wil zeggen het in de juiste vorm brengen van de uitslagen en kerven van de steen. Bij een normale productie geschiedde het scherpen eens in de twee à drie weken. Het was tamelijk intensief werk, en kostte, afhankelijk van de conditie van de steen, een half tot een heel etmaal.
In veel gevallen hield de molenaar zich bezig met meerdere activiteiten. Hij hield een herberg, had een winkeltje, bezat een stukje grond of hield vee. In de negentiende eeuw had de graanmaalderij nog een ambachtelijk karakter. De molenaar verwerkte graan voor de plaatselijke bakkers, meelwinkeliers en boeren uit de naaste omgeving. De korenmolenaar was in veel streken een burger met aanzien. Toch spraken mensen ook kwaad over hem. Soms werd het maalloon in natura uitbetaald, op elke zak gemalen meel werd een gedeelte achtergehouden. Dit gebeurde met een speciale maat of schep, maar de molenaar wilde soms eens te diep scheppen of zijn mouw mee laten scheppen. Het volgende versje illustreert dit.

Mulder, mulder korendief
Grote zakken heeft hij lief
De kleintjes wil hij niet malen
Daar kan hij niet genoeg uit halen

De molenmaker
Het vak van molenmaker is een eeuwenoud ambacht. De molenmaker moest over een groot vakmanschap en veel technische kennis beschikken. In de vrijheid van Roosendaal waren er maar weinig molenmakers. Voor deze vaklieden was er te weinig emplooi. Meestal voerde de plaatselijke timmerman de reparaties uit. Alleen voor grotere herstelwerkzaamheden, zoals het vervangen van de standerd, werd de molenmaker ingeschakeld.
Na het oorlogsgeweld in de zestiende eeuw was er echter volop werk voor de molenmakers. Een van de molenmakers die zich in 1718 in Roosendaal vestigde, was Balthasar van Ouwenis. Hij had werk in de hele regio. Zo herstelde hij de molen in Fijnaart voor negen guldens en negen stuivers en voerde hij reparatiewerkzaamheden uit op molens in Hoogerheide, Gastel, Halsteren, Zegge en Oudenbosch. De familie Ouwenis behoorde tot de gegoede burgerij in Roosendaal. De familie bezat een molenmakerswinkel met woonhuis op de Markt.
In Roosendaal en de kerkdorpen zijn enkele molens behouden gebleven. In vroegere tijden waren het er echter veel meer.


Roosendaal

Verdwenen Roosendaalse molens hebben hun sporen achtergelaten in straatnamen zoals de Molenstraat, de Watermolenstraat en de Oliemolenstraat. De drie oudste molens zijn de Kalsdonkse molen, de Watermolen en de molen op de Molenberg. Ze bestonden alle drie al omstreeks 1500 en waren eigendom van Adriaan van Reimerswaal en Fran çois Heeren Jan Peterssoon. De molens worden verpacht aan verschillende pachters. De molens maalden graan, boekweit, gerst en eikenschors. Het schors werd gebruikt door leerlooiers. De gerst ging vooral naar bierbrouwers. Op de Markt, op de plaats waar nu de bibliotheek is gevestigd, stond een rosmolen.
De molen op de Molenberg, ook wel Kademolen of de molen van de Kleine Turfberg genoemd, was een half gesloten standerd- en schorsmolen. De molen bestond uit een houten bovenhuis dat draaibaar was om een zware verticale ronde eiken boom, de standerd. De Kademolen werd rond 1501 gesticht door Claes van Reymerswale. Op 1 april 1501 verkocht hij ‘de heerlycke rechten van drie pond en daar beneden’ aan heer Engelbrecht Graaf van Nassau. Als tegenprestatie mocht hij een molen oprichten aan de Kade: de Kademolen. De molen heeft tot aan 1775 aan Claes van Reymerswale en zijn nakomelingen toebehoord. In 1874 werd de molen gesloopt. De molen moest wijken voor de oprukkende bebouwing zoals het station en de Paterskerk.
De laatste eigenaar, Lambertus de Wijs, liet ter vervanging een molen aan de Wouwseweg bouwen, De Twee Gebroeders. In 1872 eerder was deze al gereed, de molen voldeed aan alle eisen. In 1874 werd er een molenaarshuis bijgebouwd en in 1880 werd er een stoomschorsmolen bijgeplaatst waarvoor een hinderwetvergunning werd verleend.

De nieuwe molen was een stellingmolen. Dit is een molen met een houten stelling of balie. Stellingmolens zijn de hoogste molens in ons land. In de oorlog raakte de molen zwaar beschadigd, maar na herstelwerkzaamheden kon in 1947 kon alweer gemalen worden. De molen raakte vervolgens in verval. De vogels hadden er vrij spel en regenwater tastte het bouwwerk steeds verder aan.

In 1982 werd echter begonnen met de restauratie. Hierbij vonden de molenmakers in de vang nog enkele granaatscherven daterend uit de Tweede Wereldoorlog. De restauratie kostte in totaal 440.000 gulden. In 1984 vond de officiële opening van de gerestaureerde molen plaats. De Twee Gebroeders is op zaterdagen nog steeds in werking te zien.
Ook de Kalsdonkse molen was een standerdmolen, maar dan van een gesloten type. De molen had een Vlaamse kap en was zowel koren- als schorsmolen.Hij stond aan de Kalsdonksestraat, op de plaats waar nu verpleeghuis Wiekendael is gevestigd. De molenaar had gemiddeld drie knechten in dienst.

Een krantenbericht uit 1905 maakt melding van het afbranden van de molen: ‘Honderden menschen stroomden derwaarts om nog een laatste blik te werpen op dit thans door vuur verteerde stuk oud-Roosendaal. Want dat was hij die oude, verweerde molen, die reeds zoovele geslachten had zien komen en gaan’. Nadat de standerdmolen op Kalsdonk was afgebrand, diende de laatste eigenaar Marinus van Broekhoven een plan in om een nieuwe standerdmolen te bouwen; dit plan is echter nooit uitgevoerd.
De watermolen in Roosendaal was vrij uniek. Er stonden slechts een paar andere door water aangedreven molens in West-Brabant. Zo stonden er verder molens in Bergen op Zoom (dit betrof een getijdemolen), Zundert en Rijsbergen. Deze verdwenen echter allemaal voor 1900.

De Roosendaalse molen, in de volksmond ook wel watermolen genoemd, is waarschijnlijk rond de twaalfde eeuw gebouwd en behoorde tot de oudste van Brabant.

Rond 1157 wordt Nispen als Nisipa genoemd in de oorkonden van de Abdij van Tongerlo. In 1164 nam paus Victor IV de bezittingen van de abdij van Tongerlo onder zijn bescherming. Al deze bezittingen werden benoemd en beschreven. Dat een molen met twee graanschuren deel uitmaakte van de goederen, wijst erop dat dit een watermolen moet zijn geweest. Immers, rond die tijd zijn er geen vermeldingen van windmolens in West-Brabant bekend. Bovendien stroomt tussen Nispen en Roosendaal de Molenbeek. Roosendaal bestond overigens nog niet, pas in 1266 wordt er voor het eerst melding gemaakt van Roosendaal.
De watermolen werd in 1834 omschreven als ‘een korenmolen staande op Hulsdonk onder Roosendaal’; hij stond bij de beek waar nu de kinderboerderij staat. De molen had een stenen huis en werd aangedreven door een waterrad met een doorsnede van zes meter.Voor het rad lag een grote stuwvijver, waar water werd opgespaard voor droge tijden. Omstreeks 1933 besloot de eigenaar om met de motor verder te malen, het waterrad verdween.

Tijdens de oorlog werd de brug naast de molen opgeblazen door zowel de Engelsen als de Duitsers. Het puin van de brug kwam op de molen terecht. Dat was het einde van de molen. De laatste restanten verdwenen in de jaren zestig.
De derde en tevens laatst gebouwde standerdmolen in Roosendaal is De Hoop.

Deze molen is tijdens zijn bestaan drie keer verplaatst. Dit type molen, van hout en met een draaibaar bovenhuis, is relatief makkelijk te verplaatsen. Eerst stond hij in de Belgische plaatsen Anderlecht en Merksem, later aan de Bredaseweg te Roosendaal en in 1966 verhuisde hij naar De Kroeven. Tijdens de laatste verhuizing werd ook het jaartal 1484 ontdekt in de standaard.

Wouw 
Staat er tegenwoordig nog maar één molen in Wouw, de Arend aan de Akkerstraat, vroeger waren dat er twee. De Wouwse molen, ook wel Oost- of Veldschemolen genoemd, stond in het oosten van Wouw, bij de Spellestraat en aan de oude weg naar Roosendaal. De eerste vermelding van deze molen is terug te vinden in 1289, als de heer van Breda het molenrecht van de heer van Bergen op Zoom garandeert.
De markies van Bergen op Zoom bezat vele heerlijkheidrechten zoals het bodemgeld, het horskoren, de accijnzen en het molenrecht. Het molenrecht werkte twee kanten op: enerzijds kon de markies verhinderen dat anderen een molen oprichtten, anderzijds kon hij inwoners verplichten om hun graan op zijn molen te laten malen. Zo’n molen werd dan ook een ban- of een dwangmolen genoemd.
Tot de bezittingen van de markies behoorden kastelen, tienden, hoeven en molens. In Wouw had hij twee windmolens in eigendom. Alle ingezetenen van Wouw waren verplicht om hun graan op deze molens te laten malen. Wanneer iemand het banrecht overtrad, was de straf hoog. Zo moest Willem Classen, inwoner van Fijnaart, maar liefst honderd gulden boete aan de markies betalen toen hij de regels overtrad.

Het maalloon dat de molenaar ontving, bedroeg 1/16 van het gemalen graan. Van elke zak meel mocht hij 1/16 deel houden. Tot aan 1544 werd de molen steeds voor een jaar verpacht, daarna bedroeg de termijn drie jaar.
De Wouwse molen ging tot in de twintigste eeuw mee, maar raakte hoe langer hoe meer in verval. In 1912 kwam de molen in handen van Cornelis Jocabus Coppens, van beroep landbouwer. Hij plaatste in 1921 een advertentie in ‘De Grondwet’, waarin hij de oude windstandaardmolen aanbood ‘om te sloopen’. Het jaar daarop werd de molen inderdaad afgebroken.
In de eerste vermelding van Wouwse molens in 1289 is tevens sprake van een ‘westmolen’ die op de molenberg in de Ackers stond. Dit is overigens niet De Arend aan de Akkerstraat, de enige molen die behouden is gebleven. De ‘westmolen’, eveneens een standerdmolen, brandde in 1583 af en werd eeuwenlang niet opgebouwd.

De Arend werd gebouwd op dezelfde plaats waar 228 jaar geleden de Westmolen afbrandde. In 1811 kreeg Pierre Aerden, bakker uit Essen, toestemming om op de Oude Molenberg een stenen molen te bouwen. De molen was ingericht om zowel koren als schors te malen. De molen werd regelmatig getroffen door onheil. Zo brandde de molen in 1824 af en kwam in 1898 het hele wiekenkruis naar beneden. Eind vorige eeuw is De Arend gerestaureerd, de molen draait nog steeds en is dankzij vrijwillig molenaar Johan van Kaam te bezichtigen.

Heerle en Moerstraten
De molen van Moerstraten, die in de oorlog zwaar beschadigd werd. In 1803 vroegen de inwoners van de gemeente Wouw het bestuur van Brabant om één of twee molens bij te bouwen, omdat één molen veel te weinig was. Pas zeven jaar later werd goedkeuring verleend voor het bouwen van een stenen bergmolen en een houten standerdmolen. In 1810 kreeg monsieur Schrieckx van Cauwelaar, die ook eigenaar was van de ronde stenen stellingmolen aan de Geerkade te Leur, toestemming om een windmolen te bouwen in het gehucht Heerle. Deze molen bleef ruim zestig jaar in Heerle staan, maar ving vanwege de steeds verder oprukkende bebouwing te weinig wind. In 1882 werd de molen verplaatst naar Moerstraten. De molen kwam te staan aan het eind van het pad, dat nu in de volksmond nog ‘het Meulenboantje’ heet. Tijdens de bevrijding van Moerstraten in 1944 werd de molen echter onherstelbaar beschadigd.

Wouwse Plantage
Wouwse Plantage had de jongste molen van alle kerkdorpen. In 1876 kreeg Johannes Adriaansz. van Tilburg toestemming van baron De Caters om een windgraan- en schorsmolen te bouwen. De molen bleef in het bezit van de familie, maar raakte steeds meer in verval. In 1939 had het wiekenkruis nog maar één roede, de molen maalde op halve kracht. De oorlog beslechtte het lot van de molen: het puin werd enkele jaren later geruimd.

Nispen
De molen in Nispen werd in 1850 gebouwd als beltkorenmolen. De belt- of bergmolen bestaat uit een ronde stenen romp waar omheen een ongeveer drie meter hoge belt is opgeworpen, die dient om de zeilen voor te leggen, de molen te zwichten en te kruien en de vang te bedienen.Twee jaar eerder kocht J. van de Wijgaart hiervoor een stuk land van de familie Hellemons. In 1954 verkocht hij zijn molen aan Johannes Aerden. Deze familie bleef de molen bestieren: vier generaties uit één familie lieten vanaf 1854 de wieken draaien. In januari 1951 werd voor het laatst op windkracht gemalen. Daarna begon de molen langzaam in verval te raken. In 1978 en 1979 vond de restauratie plaats, gevolgd door een opknapbeurt in 1994. Deze molen aan de Dorpsstraat is het enige monument dat Nispen rijk is.

De molens in Roosendaal, Wouw en Nispen
Molen De Hoop, Gezellelaan te Roosendaal
Te bezichtigen op zondag van 14.00 tot 17.30 uur
Of op afspraak: dhr. van Eekelen, tel. 0165-301453

De Twee Gebroeders, Wouwseweg te Roosendaal
Te bezichtigen op zaterdag van 13.30 tot 17.00 uur
Of op afspraak: dhr. van Eekelen, tel. 0165-301453

Korenmolen De Arend, Akkerstraat te Wouw
Te bezichtigen op zondagmiddag

Molen Nispen, Dorpsstraat te Nispen
Tijdens de restauratiewerkzaamheden is deze molen gesloten voor het publiek

Meer informatie over molens
Stichting Levende Molens/Centrum voor Molinologie, Vincentiusstraat 7, 4701 Lm Roosendaal
Voor inlichtingen: John Verpaalen, tel. 0165-569060. www.come.to/molencentrum
Het bezoekerscentrum is geopend op afspraak.

Vereniging De Westbrabantse molens, Doornbos 47, 5121 RT Rijen
Voor inlichtingen: tel. 0161-225714

Geraadpleegde literatuur
De molen ‘De twee gebroeders’, A.H.P.M. Meesters, HKK Roosendaal en Nispen, nr. 7, maart 1985, p. 20-29
Roosendaal 150 jaar geleden, drs. C.B. Goyarts, HKK De Vrijheijt van Rosendale, jaargang 19, nr. 33, december 1998, p. 26-27
De Kalsdonksemolen, J. Lemmens, HKK Roosendaal en Nispen, nr. 1, mei 1980, p. 13-14
De molens van Roosendaal en Nispen, Ton Meesters, HKK Roosendaal en Nispen, nr. 2, februari 1981, p. 5-17
Molens van Roosendaal en Nispen 2, A.H.P.M. Meesters, HKK Roosendaal en Nispen nr. 3, april 1982, p. 9- 16
Een Roosendaalse molenaar, A.H.P.M. Meesters, HKK Roosendaal en Nispen, nr. 4, januari 1983, p.18 – 25
De Wouwse molens, R. Hermans, HKK De Vierschaer Wouw, jaargang 8, nr. 3-4 oktober 1990, p. 60-71
De Wouwse molens en hun molenaars, A. Meesters en H. Loos, HKK De Vierschaer Wouw, jaargang 1, nr. 3, december 1983, p. 3 – 38
Een molen en haar molenaars, C.M.A.J. Uijtdewilligen, HKK De Heerlijckheijd Nispen, jaarboek 1998, p. 112- 130
Molens, ir. F. Stockhuyzen, uitgeversmaatschappij C.A.J. van Dishoeck, Bussum, 135 p.
Molens, verleden en toekomst, J. Verpaalen, Vereniging Voor Natuurbehoud, 1980, Roosendaal, 92 p.
Molenbedrijf en meelfabriek in Nederland in de negentiende eeuw, H. Lintsen, Stichting Historie der Techniek, ’s-Gravenhage, 1989, 54 p.

Colofon
Samenstelling: N. de Boer (Gemeentearchief Roosendaal)
Plaats en jaar van uitgave: Roosendaal, juli 2003
Drukwerk: huisdrukkerij Gemeente Roosendaal
Copyright: 2003. Alle rechten voorbehouden aan de uitgever (Gemeente Roosendaal). Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in welke vorm en op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *