Belgische vluchtelingen in Roosendaal, 1914-1918

‘Vluchtende Duitschers, vluchtende Belgen, soldaten, ja, ge zoudt Roosendaal niet meer kennen’

‘Wat ervan terecht moet komen, ik weet het niet! Duizenden, ik lieg niet, duizenden vluchtelingen van Antwerpen en omgeving komen met treinen, wagens en te voet Roosendaal binnen. Rijk en arm, alles vlucht naar Nederland.’

Eerste Wereldoorlog
Op 28 juni 1914 worden kroonprins Frans-Ferdinand van Oostenrijk en zijn vrouw Sophie in Sarajevo in Bosnie-Herzegovina vermoord door de negentienjarige Serviër Princip. Hoewel de betrokkenheid van Servië op de moord nooit bewezen wordt, stelt Oostenrijk-Hongarije Servië verantwoordelijk. Op 28 juli 1914 verklaart Oostenrijk de oorlog aan Servië. Op 2 augustus verklaren de Duitsers de oorlog aan de Russen. Nederland en België blijven neutraal. Maar als het Duitse leger op 4 augustus Frankrijk via België binnenvalt, is het gedaan met de Belgische neutraliteit. Op 5 augustus zijn ook Duitsland en Engeland in oorlog. Oostenrijk, Duitsland en Turkije vechten tegen Frankrijk, Engeland en Rusland. In 1917 mengen zich ook de Amerikanen in de strijd tegen de Duitsers.

De gemeente Roosendaal en Nispen is in 1914 een kleine provincieplaats met een strategische ligging. Dankzij de spoorlijn Antwerpen – Rotterdam en later de spoorlijnen naar Zeeland is het agrarisch dorp uitgegroeid tot een kleine stad met industrie en kantoren. De stad telt in 1914 circa 18.000 inwoners.

Mobilisatie: soldaten poseren op een boerenerf in Wouw, 1916

Begin augustus 1914 luiden ’s middags om tien minuten over drie de Roosendaalse kerkklokken. De mobilisatie wordt afgekondigd. Paniekberichten overvallen het anders zo rustige West-Brabant. Onzekerheid en angst zijn het gevolg. Mannen nemen al hun geld op en vrouwen hamsteren levensmiddelen. Aankopen kun je alleen maar tegen contante betaling doen. Boeren en gegoede lieden moeten zich op de Roosendaalse Markt melden. Het leger vordert hun paarden. Ieder wiens paard voor de krijgsdienst wordt goedgekeurd, krijgt een tegoedbon. Bedrijven sluiten de poorten, veel werknemers staan opeens op straat.

Vlucht
In de eerste oorlogsmaand vluchten duizenden Duitsers die in België en Frankrijk wonen naar het neutrale Nederland. Grensplaatsen als Roosendaal en Bergen op Zoom ontvangen duizenden Duitsers, Polen en Hongaren op doorreis. Boeren uit Nispen en Essen verdienen flink aan de vluchtelingen door ze met open boerenkarren de grens over te brengen. Soms zet men de onwetenden al bij de eerste huizen in Nispen af. Het internationale treinverkeer ligt stil. De meeste spoorwegen zijn gereserveerd voor troepen, paarden en oorlogstuig. Vanwege de gebrekkige treinenloop worden deze mensen gedwongen de nacht op het perron of in de omgeving van het station door te brengen om te wachten op verder transport. Kamers en pensions gaan tegen woekerprijzen van de hand. Naast vluchtelingen, nemen ook militairen bezit van Roosendaal. Tal van openbare gebouwen worden ingevorderd voor de manschappen.
Overnachtingsplaats van Belgische vluchtelingen in de bossen aan de grens

Naarmate de strijd in België feller wordt, verandert de identiteit van de vluchtelingen. Zijn het eerst Duitsers, nu nemen Belgen massaal de wijk. De Duitsers trekken een spoor van verderf en vernieling door België. Ze treden ongenadig hard op: steden en dorpen worden platgebrand en rebellerende burgers neergeschoten. Vooral de ‘doodskophuzaren’ die niets of niemand ontzien zijn berucht.

Begin oktober ligt Antwerpen onder vuur, reden voor tienduizenden mensen om huis en haard te verlaten. In de nacht van 7 op 8 oktober 1914 liggen de Antwerpse woonwijken onophoudelijk onder vuur. Merksem is geheel door de burgerbevolking verlaten. Een vloedgolf van vluchtelingen trekt de grens over. Tussen de drommen mensen lopen ook gedesillusioneerde Belgische soldaten die de strijd hebben opgegeven. Zodra ze zich aan de Nederlandse grens melden, worden ze ontwapend en overgebracht naar kampementen boven de grote rivieren.

Jac. van der Veken (1866-1944), handelaar in ‘meubel- en behangselpapieren ’ aan de Markt te Roosendaal, publiceert een deel van zijn dagboek bijgehouden in de oorlogsjaren onder de titel ‘Uit Bange Oorlogsdagen’. De deeltjes zijn voor een dubbeltje te koop. Hij ziet de vlucht van duizenden Belgen gade en doet verslag:

‘ Voetgangers, Antwerpse fiacres of huurrijtuigjes, lage sleeperswagens, omnibussen auto’s, vervoerwagens van groote Belgische firma’s, alles krioelt doorheen. Heel den nacht zijn treinen binnengelopen en hedenmorgen zag ik er een binnenstromen van 64 wagens propvol met vluchtelingen in 1-2-3- klasse. Beesten, platte wagens met zooveel mogelijk hun hebben en houwen bij zich. Waar al die mensen moeten verblijven ‘t is niet uit te denken. Gister avond waren 12.000 vluchtelingen in Roosendaal.’

Op de schutting van Van Osta in de Brugstraat schreven vluchtelingen hun adres

Treinen zijn afgeladen en over de wegen trekt een opeengepakte massa vanuit België naar Roosendaal en Bergen op Zoom. Een rijke enkeling reist per auto, anderen hebben paarden en wagens gehuurd, waarop hele families en halve inboedels worden vervoerd. Duwkarren, kruiwagens en fietsen, alles wordt gebruikt om bezittingen te vervoeren.

‘ Er zijn meer vluchtelingen dan inwoners te Roosendaal. Duizenden karren komen de plaats ingereden, de straten zijn overvol volk. Men ziet kruiwagens voortduwen en trekken waarop oude mannen en vrouwen op wat dekens en oude kussens liggen uitgestrekt, zoo naar hier gebracht van uit Antwerpen. (..) Dan weer mannen en vrouwen beladen met groote balen beddegoed met daarnaast kinderen met kooitje met kanarievogel of wel een klein hondje op den arm, men heeft deze huisdieren niet achter kunnen laten.’

Op schuttingen en blinde muren schrijven vluchtelingen namen en verblijfplaatsen. In de Roosendaalse krant De Grondwet verschijnen rijen advertenties van dezelfde strekking.Meer dan een miljoen Belgen ontvlucht het land. Er komen in totaal een half miljoen Belgen via Noord-Brabant, 450.000 via Zeeland en 70.000 via Limburg ons land binnen. Het inwonertal van Roosendaal verdriedubbelt in een klap.

Opvang
Zonder onderscheid zetten de bewoners van Roosendaal en de omliggende dorpen hun huis open om de vluchtelingen aan logies te helpen. Elk huis in Roosendaal zit vol vluchtelingen.

‘ De toestand is onbeschrijfelijk. Duizenden en duizenden vluchtelingen vullen de straten. Ieder, niemand uitgezonderd, heeft vluchtelingen in huis en nog bedelen honderden al is het slechts om een zitplaats, om toch een weinig rust te hebben, enfin de kranten zullen genoeg den toestand schilderen, doch de werkelijkheid te bereiken is niet mogelijk.’

Het Rode Kruiscomité en het juist opgerichte plaatselijk Vluchtelingenwerk hebben de handen vol aan de verzorging en het onderbrengen van duizenden Belgen.

’ ’t Is niet een te beschrijven toestand, vrouwen en kinderen loopen schreiend over de markt en door de straten. Kinderen hun ouders kwijt, ouders hun kinderen verloren, en tusschen al die herrie en ellende loopen gluiperig de Duitschers, die vroeger zooveel gulle gastvrijheid bij de Belgen hebben genoten, zij zijn niet op hun gemak.

Gelukkig is het gebouw van de Katholieke Kring door militairen vrijgegeven en kan men ook bij de Zusters in de Molenstraat, in de schoolgebouwen in de Kloosterstraat en in het ziekenhuis Charitas terecht. Men brengt stro naar de St. Janskerk, de Antoniuskerk, de Nederlands Hervormde Kerk en scholen om daar mensen te kunnen laten slapen.

‘ Alle kerken liggen vol. (..) naast en om het altaar lagen bedden waarop afgejaagde, afgetobte menschen lagen te slapen. Gewascht, gereinigd, gekleed werd er in de kerk, bij de Eerw. Paters en het klooster hetzelfde.’

Slaapzaal in broederklooster Sainte Marie

Spoorwegpersoneel kampeert in goederenwagons op het emplacement. Gemobiliseerde militairen verlenen bijstand. In de bossen rond Roosendaal halen ze mensen op die daar gestrand zijn. Militaire keukens en bakkerijen draaien overuren, maar toch ontstaat er een voedseltekort. Schepen met brood, boter en melk worden vanuit Rotterdam naar de haven van Bergen op Zoom gevaren. Ook vrachtwagens met voedsel worden over de weg naar Roosendaal gestuurd. Op het station is een uitdeelpost voor brood. Ook de noodgevallen worden daar in een ziekenbarak opgevangen.

De Roosendaalse bevolking leeft erg mee met de vluchtelingen. Vaak heeft men familie, vrienden of zakenrelaties in België wonen. Bovendien is men overwegend anti-Duits. De oproep van de katholieke kerk om de vluchtelingen bij te staan kan in het vrijwel geheel katholieke en gezagsgetrouwe Roosendaal op bijval rekenen.

‘(..) dat de inwoners van Roosendaal bewezen hebben een meelijdend hart te bezitten en dat de deugd van gastvrijheid bij hen zeer hoog staat. Alles en allen zijn in de weer geweest, de arme vluchtelingen te geven wat maar te geven was; zonder blaque, eenvoudig uit plichtsgevoel. Geloof- noch standsverschil was merkbaar bij de pogingen om van het overweldigend vele dat gedaan moest worden, althans een flink gedeelte klaar te krijgen’.

Overigens is er ook wel kritiek te bespeuren. Van Belgische zijde zijn er klachten over hoge prijzen voor kamers en voedsel, van Nederlandse zijde wordt afwijkend gedrag, bijvoorbeeld het in doordeweekse kleding ter kerke gaan, niet gewaardeerd. Men verlangt rust, aanpassing en dankbaarheid van de vluchtelingen.

Java
Het gebouw van suikerraffinaderij Java aan de Havendijk is in het begin van de oorlog nog door militairen in gebruik, maar wordt half oktober 1915 vrijgegeven om er een groot vluchtelingencentrum van te maken. Circa vierduizend mensen zonder bestaansmiddelen vinden er onderdak. De omstandigheden in de oude fabriek zijn niet zo best, men spreekt van ‘duistere, naargeestige fabriekszolders’ en dat de toestand ‘diep ellendig en beklagenswaardig is, ongeschikt en zelfs gevaarlijk’. In de winter van 1914-1915 worden op kosten van de overheid allerlei verbeteringen aangebracht. De vluchtelingen beschikken over een eigen kapel en een school. In mei 1915 wordt Java onder veel protest gesloten en worden de bewoners naar elders overgebracht. Wel blijven school en kapel in gebruik voor de Belgen die bij particulieren in Roosendaal verblijven.

Het keukenpersoneel van vluchtoord Java

 

In 1916 komt daar nog een derde bij waar een kapel en school worden ondergebracht. Ook deze barakken krijgen de naam Java. Van februari tot mei 1915 worden daar 2650 mensen opgevangen. In de loop van 1916 neemt dat aantal geleidelijk af tot gemiddeld 15 man per week.

Uittocht
België is inmiddels bijna helemaal door de Duitsers bezet. Na vijf tot zes dagen trekken de vluchtelingen verder naar andere plaatsen in Nederland. Ze worden kosteloos op transport gesteld, Roosendaal deelt honderdduizend gratis treinkaartjes uit. Een paar dagen nadat Antwerpen in Duitse handen is gevallen, vaardigt het Antwerpse gemeentebestuur een proclamatie af waarin wordt gesteld dat vluchtelingen veilig kunnen terugkeren. Op 17 oktober rijden de eerste treinen richting België met een witte vlag op de locomotief en op de laatste wagen. Elk ruituig is voorzien van het opschrift ‘neutraal’. De uittocht in omgekeerde richting begint nu. Naar schatting reizen dagelijks tien- tot vijftienduizend personen per trein terug naar hun woonplaats.

‘Dezen morgen gaat den eersten trein naar Antwerpen, ik zag hem juist vetrekken. Een lange trein, stampvol menschen, die naar hun land terugkeerden, de meesten zonder geld en goed en misschien een verbrand huis. Allen wuifden en zwaaiden afscheid.’

In februari 1915 verblijven er nog meer dan drieduizend Belgen in Roosendaal. Een aantal van hen blijft voorgoed en wordt opgenomen in het maatschappelijke leven.

De elektrische draad
In april 1915 beginnen de Duitsers aan de plaatsing van een draadversperring tussen Nederland en België, die loopt over een afstand van tweehonderd kilometer van de Belgische kust tot aan het drielandenpunt in het Limburgse Vaals. Deze draadversperring loopt volledig over Belgisch grondgebied, zodat het neutrale Nederland er niets tegen kan ondernemen. De draadversperring staat onder hoogspanning, wie de draad aanraakt, overleeft dat niet. Gezien het grillige karakter van de landsgrens, besluit men de draad een zo recht mogelijke lijn te laten volgen. Essen wordt hierdoor volledig van de buitenwereld afgesloten. Aan de ene kant is er ‘de draad’, maar ook aan de Nederlandse kant is er een draad opgesteld. Deze draad staat weliswaar niet onder hoogspanning, maar wordt wel streng bewaakt. Nederland wil zijn neutraliteit ten koste van alles bewaren.

Nederlandse douaniers bewaken het bruggetje over de Turfvaart aan de grens. Foto: A.M. Bruglemans, Roosendaal, 1915 



De draad moet smokkel en spionage voorkomen. Bovendien kunnen Belgische deserteurs zo niet overlopen naar het veilige Nederland. De omgeving rond de draad is kaalgekapt, dag en nacht patrouilleren Duitse soldaten met herdershonden. Om de honderd meter staat een schildwacht, er worden wachtronden gedaan en Ulanen rijden te paard heen en weer. Op de grote wegen zijn doorgangspoorten met een strenge bewaking en controle. Het is verboden de draad tot op een afstand van tweehonderd en soms zelfs vijfhonderd meter te naderen zonder toelatingsbewijs. Wie in de zone gearresteerd wordt, kan een straf van zes maanden in de Antwerpse gevangenis tegemoet zien. Bij herhaling wordt men onmiddellijk naar Duitsland gedeporteerd om in de oorlogsindustrie of landbouw te werken. Binnen de vijftig meter kan er zonder waarschuwing geschoten worden.

Smokkel
In de grensstreek wordt veel gesmokkeld. Alleen al in Essen zijn naar verluid driehonderd smokkelaars actief. Ze verhandelen graan, zaaigoed, bonen, aardappels, suiker, melk, uien, spek, maar ook kammen, stoffen en tandenborstels, alles om maar te overleven in het stukje niemandsland. De vijand is de grootste afnemer en laat zich graag omkopen. In ruil voor eten of geld krijgen smokkelaars wachtschema’s, waarschuwingen of meldingen waar wordt gecontroleerd. De Duitse bewakers, veelal oudere of gewonde soldaten, laten zich zonder veel protest omkopen of dronken voeren om een oogje dicht te knijpen.

Er ontstaat een levendige brievensmokkel van en naar Nederland. Men is zeer vindingrijk om de brieven over de draad te krijgen. Ze worden verzwaard met stenen over de draad gegooid, er met pijl en boog overheen geschoten of verstopt in een holle wandelstok of in een groot brood. Als de wind goed is, probeert men het met een vlieger. Heel wat mensen worden opgepakt, veroordeeld of verbannen voor het schrijven of ontvangen van brieven of het doorgeven van informatie. Onder hen is een groot aantal vrouwen. Smokkelaars werken ook georganiseerd. Met groepen van een man of twintig, dertig, die de streek door en door kennen, steken ze de grens over. Levensgevaarlijk, want aan de ene kant staan de Duitsers op wacht en aan de andere kant de Nederlandse douaniers. Naast voedsel en brieven worden er ook mensen gesmokkeld. In heel de Belgische grensstreek moeten zo’n 25.000 mensen de draad gepasseerd hebben. De meest vreemde voorwerpen worden gebruikt om langs de elektrische draad te komen. Een inklapbaar raam dat tussen de draad geklemd kan worden, rubberen banden, porseleinen borden, houten vaten of een dubbele ladder.

Heel wat mensen vinden hierbij de dood. Naar schatting zijn er tussen de vijfhonderd en drieduizend mensen verongelukt. Slachtoffers zijn op slag dood en zien er met hun verkrampte lichaamshouding en verbrande ledematen gruwelijk uit. Elektriciteit is in die jaren een nog onbekend fenomeen. In Nederland heeft slecht dertien procent een gloeipeer in huis, in België bedraagt dat aantal nog minder. Voor straatverlichting worden gaslampen gebruikt, in huis branden petroleumlampen. Daarom kan men de gevaren van elektriciteit niet goed inschatten. Niet alleen smokkelaars vinden de dood door ‘de draad des doods’, hetzelfde overkomt spelende kinderen die er per ongeluk tegenaan lopen.

Een bekende smokkelaar is Klaveren Vrouwke, de bijnaam van Geert Schrauwen uit St. Willebrord. Officieel is hij handelaar en zakenman, maar hij staat bekend om zijn lef en inventiviteit tijdens het smokkelen. Hij is de schrik van alle douaniers. Zo verkleedt hij zich als zwangere vrouw, non of pastoor, omdat deze niet gefouilleerd mogen worden. Hij presteert het zelfs om zich voor te doen als een hooggeplaatste militair die de soldaten komt inspecteren. Op 5 mei 1916 komt het tot een conflict met de Nederlandse grenswachters. Klaveren Vrouwke wordt bij een grenspaal in de buurt van Schijf dodelijk getroffen door een kogel van Nederlandse grenswachters. Zijn initialen ‘KV’ worden in de grenspaal gekerfd.

Besluit
Op 8 november 1918 vraagt Duitsland wapenstilstand aan, drie dagen later wordt het verdrag getekend en is de oorlog afgelopen. Op 28 juni 1919 wordt het vredesverdrag van Versailles getekend. Duitsland wordt als de grote schuldige aangewezen. De gevolgen van de oorlog zijn groot. Meer dan 65 miljoen jonge mannen worden onder de wapens geroepen, van wie er tussen de acht en tien miljoen sneuvelen. Zij laten weduwen en wezen achter. Er wordt over meer dan twintig miljoen gewonden en verminkten gesproken. Roosendaal mag dan buiten het oorlogsgeweld zijn gebleven, ook voor Roosendalers is het een sombere, angstige tijd. Men is dan ook blij dat de dagen vol afschuw en ellende voorbij zijn.

‘ Biddag over geheel het land. ’t Is treurig weer maar niet koud. Al vroeg luiden de klokken ter uitnodiging naar de Kerken. Alle winkels, kantoren zijn gesloten, niemand werkt er. Met mijn gezin ga ik naar de H. Mis te 9 uur in de St. Janskerk. Deze was stampvol, ’t was of iedereen onbewust naar den tempel des Heeren werd getrokken om God te danken, dat wij van de plaag des oorlogs bevrijd gebleven zijn en God te vragen de gevreesde ziekte te doen ophouden en een gelukkig, vreedzame tijd te doen aanvangen. Moge het gebed verhoord worden.’

Bronnen
·   M.C.J. Broos, De Belgische vluchtelingen in Roosendaal, Heemkundekring Roosendaal en Nispen (1991) nr. 18, p. 6-25, nr. 19, p. 6-9
·   R. van Hasselt, Belgische vluchtelingen in Roosendaal, 4 oktober – 15 november 1914, Jaarboek De Ghulden Roos 24 (1964), p. 101-111
·   Jan Hectors (samenst.), Maria Gommeren, Jo de Paepe, Jan Hectors, Grensdorp in oorlogstijd, de glasplaten van fotograaf Bernaards, de elektrische draad in WOI te Essen, Karrenmuseum Essen en Koninklijke Heemkundige Kring Essen
·   Laurent Heere, De dag dat Roosendaal naar Antwerpen kwam, Brabants Nieuwsblad, 1984
·   Joss Hopstaken, Roosendaal in de Eerste Wereldoorlog, lezing, 2006
·   J.E.A. van der Veken, Uit Bange Oorlogsdagen, Dagboek van een Roosendaler, uitg. E.H.B. van Helvert-Weijermans, Roosendaal, 1915
·   Vijftig jaar geleden viel Antwerpen, Brabants Nieuwsblad 29 augustus 1964
·   Collectie aanwinsten, collectie Luijsterburg, nr. 293-334, gemeentearchief Roosendaal
·   Documentatiecollectie Eerste en Tweede Wereldoorlog, gemeentearchief Roosendaal

De citaten zijn afkomstig uit het Dagboek van een Roosendaler, geschreven door J.E.A. van der Veken. Het originele handschrift wordt bewaard in het gemeentearchief Roosendaal, collectie aanwinsten, inventarisnummer 92-94

De foto’s zijn afkomstig uit de fotocollectie van het gemeentearchief Roosendaal

Colofon
Gemeentearchief Roosendaal, 2007
Samenstelling: Nicole de Boer

Copyright 2007. Alle rechten voorbehouden aan de uitgever (gemeente Roosendaal). Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in welke vorm en op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Na het ontruimen van de oude suikerfabriek wordt er een doorgangshuis opgericht, bedoeld voor de eerste opvang van over de grens komende vreemdelingen. Na huisvesting en voeding gedurende ten hoogste twee dagen worden deze mensen op transport naar Ede, Nunspeet of Uden gesteld. Ook vreemdelingen zonder papieren werden hier ondergebracht. Naast het station, aan het begin van de Dokter Lemmensstraat, worden twee houten barakken geplaatst.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *